Het is herfst. Er liggen mensen op straat. Eén van hen, een man uit Oost-Europa, kwam afgelopen week naar onze straatartsen. Zijn kaak was verbrijzeld. Een groepje jongeren had hem ‘s nachts in zijn gezicht geschopt, toen hij op straat lag te slapen.
De straat is een moeras. Je zakt er steeds dieper in weg. De problemen worden steeds groter. Zonder hulp kom je er niet uit.
Vorige week klopte een Pools meisje bij ons aan, na drie nachten op straat. Na een paar nachten slapen in de Pauluskerk konden we rustig met haar praten. En hulpverlening inschakelen. Inmiddels is ze met hulp teruggegaan naar Polen. Zo gaat het vaak. 
Zo’n 150 mensen slapen op straat in Rotterdam. Zij halen zichzelf niet van straat. Rotterdam heeft een Smart Shelter nodig: opvang en hulp. Beide tegelijk. Ook de Tweede Kamer ziet dat we niet langer kunnen wachten. Kort geleden spraken bijna alle alle partijen zich uit vóór opvang en hulp voor EU-arbeidsmigranten op straat, om nóg grotere persoonlijke en maatschappelijke problemen te voorkomen. 
Waar wachten we nog op?  

Ranfar Kouwijzer
Predikant-directeur Pauluskerk Rotterdam

De Abrahamitische religies Christendom, Islam en Jodendom kennen alle drie een messiaanse tijd. Een tijd zonder oorlog, armoede, spanningen, zorgen. Een tijd dat men alleen bezig is met “zijn”, niet terugkijken en niet vooruitkijken. Zo een status is wel degelijk mogelijk voor mensen. Als je zorgen, angsten, haat, woede loslaat en tobben weet te vermijden dan brengt dat dichter bij jouw gevoel. De verbinding met je zelf is makkelijker te maken en de verbinding met anderen komt ook sneller tot stand. Je voelt de richting, de weg, het pad om te volgen en vanuit het gevoel maak je keuzes. Sommigen ervaren dit op bepaalde momenten of gedurende een langere tijd. Daarom is het best reëel om te denken dat zo een tijdperk binnen bereik van alle mensen ligt, waarbij men in het “nu” leeft.

Onze mooie multiculturele stad kent inwoners met vele verschillende levensbeschouwingen.

Niet alleen de stromingen van Christenen, Moslims en Joden, maar ook onder meer Hindoes, Bahai, Boeddhisten en Humanisten. Tijdens ontmoetingen met mensen uit deze gemeenschappen besef ik steeds dat de meesten bezig zijn met een zoektocht naar “zijn”.

En dat is vervolgens niet anders waar vele (andere) niet-gelovigen ook mee bezig zijn.  Een weg ontdekken om in het “nu” (de flow, zijns toestand) te leven. Door meditatie, bezinning, er zijn boeken vol geschreven, of anderszins een spirituele weg zoeken om vrij van zorgen te zijn over de toekomst en niet met spijt naar het verleden omzien.

De smeltkroes Rotterdam; waar verschillen kunnen wegebben als gelovigen en niet gelovigen en andersgelovigen elkaar vinden. Het maakt niet uit of je de Christelijke Bijbel, Islamitische Koran of Joodse Torah als handleiding gebruikt. Of je de Baghuan, Daila Lama, de Boeddhistische leer, de Hindoeleer of het Humanisme omarmt. In mijn visie komen al deze mensen op hetzelfde punt uiteindelijk uit als zij zijn “aangekomen”: voelend in één geheel verbonden door een centrale universele kracht. De een gelooft in Jezus, de ander alleen in de Eeuwige of in een centrale kracht zonder heilig boek of gewoon het geloof dat er meer is dan wij weten. Tijdens de weg naar beter zijn, naar volledig zijn, zijn wij het vaak niet met elkaar eens. Het doet er niet toe welke weg je kiest, maar eenmaal aangekomen op dat eindpunt zijn wij bewust één. Een mooie uitdaging met een hoopvol doel binnen bereik.

Simon Cohen

Voorzitter Coalitie Rotterdammers voor Mekaar

Voorzitter landelijk Overlegorgaan Joden Christenen Moslims

Gedeeld verleden, gezamenlijke toekomst”, heet de werkgroep die jaarlijks in Rotterdam de herdenking voorbereidt van de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863. Rondom de herdenking wordt in de Hoflaankerk een viering gehouden die wordt voorbereid door mensen uit kerken met veel Surinaamse of Caribische leden en uit onze Protestantse Gemeente Kralingen. In die viering komen verschillende perspectieven bij elkaar. Meerdere Surinamers hebben in hun familielijn tot slaaf gemaakten en zijn opgegroeid met verhalen over de slavernij. Mijn familie van vaderskant komt oorspronkelijk uit Zeeland en er is zelfs een tak die Koopman heet. Als ik mee zou doen aan ‘Verborgen Verleden’, waarin men ver teruggaat in iemands familiegeschiedenis, zou het maar zo kunnen gebeuren dat er ergens een plantage-eigenaar opduikt. Maar ook zonder zo’n concrete link verbindt mijn achtergrond me eerder met de Zeeuwen en de Hollanders die vrijwillig naar de West trokken dan met de Afrikanen die daar als slaaf naartoe werden gehaald.

Beide perspectieven zijn deel van ons verleden. De slavernij (± 1637 - 1863) is opgenomen in de canon van de Nederlandse geschiedenis. Wie daar sinds juni 2020 ook in is opgenomen is Anton de Kom. Zelf zoon van een vader die nog net ten tijde van de slavernij als slaaf geboren werd, schreef hij in 1934 het boek “Wij slaven van Suriname”. Daarin beschrijft hij niet alleen hoe de slavernij tot stand kwam en in stand gehouden werd, maar legt hij ook de structuren ervan bloot die met de afschaffing niet zomaar verdwijnen. Het boek werd vorig jaar opnieuw uitgegeven, voor mij een goede reden het eindelijk eens te lezen en me al lezend te verplaatsen in het perspectief van de (voormalige) slaven. Wat mij daarbij het meest raakte was de vanzelfsprekendheid waarmee medemensen tot eigendom werden gemaakt. Met christelijke goedkeuring … Zo schrijft Johan Picardt, predikant in Coevorden, in de gouden eeuw dat “deze menschen”, de Afrikanen die hij als nakomelingen van Cham beschouwt, in vrijheid niet willen deugen en zichzelf niet kunnen regeren, en dat hun welvaart bestaat in slavernij.
De slavernij in Suriname is gruwelijk. Zo hebben eigenaren de bevoegdheid hun slaven te straffen door hun handen en knieën samen te binden en hen dan te geselen. Wil een eigenaar dat niet zelf doen, dan gebeurt dat tegen betaling op het fort in Paramaribo. Individuele pogingen van gouverneurs om de uitwassen te bestrijden stranden op de economische belangen van de plantagehouders. Tekenend is dat deze bij de afschaffing van de slavernij een financiële compensatie eisen en krijgen voor iedere vrijgelaten slaaf.

Hoe vier je de afschaffing van de slavernij als je verre voorouders daar vermoedelijk direct of indirect van geprofiteerd hebben? Recent onderzoek toont aan dat de stad Rotterdam als partner van de VOC en de WIC actief betrokken was bij het kolonialisme en de slavernij. ‘Keti Koti’ – ‘Verbreek de ketenen’, zoals het genoemd wordt in de Surinaamse taal die op de plantages ontstond, is hier echter nooit een feestdag geweest. Hebben wij wel wat te vieren? Of is dit vooral iets van Surinaamse en Caribische Nederlanders? De gesprekken in de voorbereidingsgroep én het boek van Anton de Kom maken mij ervan bewust dat dit juist wel iets is dat we sámen moeten vieren. Allereerst erkennen we daarmee dat de slavernij mensonterend is geweest, en dat de gevolgen daarvan nog doorwerken. In familieverhalen, in opgebouwde rijkdom, in machtsstructuren, in ongelijke kansen. Wie een kleur heeft staat eerder op achterstand. Daarnaast belijden we eensgezind dat ieder gelijk geschapen is, naar Gods beeld en gelijkenis. Dat we geroepen zijn elkaar in vrijheid te dienen. En ten slotte nemen we verantwoordelijkheid om onze samenleving zo op te bouwen dat ieder mens daarin tot haar of zijn recht komt.

“Ik voel me altijd thuis in Nederland, behalve met Keti Koti”, zei Jeangu Macrooy, die ons vertegenwoordigde op het songfestival. Dat heeft ermee te maken, dat 1 juli voor hem een belangrijke dag is, maar dat veel Nederlanders niet weten wat er dan gevierd wordt. Wat zou het mooi zijn als we hem en anderen zouden kunnen laten merken dat we beseffen dat de slavernij ons gedeelde verleden is, zij het vanuit verschillende perspectieven. En dat we juist daarom vieren dat het verléden is, en dat we werken aan een toekomst in diversiteit, solidariteit en vrijheid.

ds Marianne Bogaard

Anton de Kom, “Wij slaven van Suriname”,
ISBN 9789045041094

Vakantie! Vaak denken we, dat wij die uitgevonden hebben. Logisch, want een eeuw geleden was er van vakantie amper sprake. Een enkele welgestelde kon het zich veroorloven erop uit te gaan, maar voor de gewone man en vrouw was dat niet weggelegd. Goed dat dit nu anders is.

Toch is vakantie geen uitvinding van ons. Lang voordat wij het bedachten, gaf God Israël maar liefst drie weken per jaar vrijaf. In het voorjaar, met Pesach. In de zomer, met Pinksteren. En in de herfst, bij het Loofhuttenfeest. Zo was bepaald in de Thora (Deut: 16:16: Drie keer per jaar moet u verschijnen voor het aangezicht van de HEER uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen. De eerste twee weken ging je met zijn allen naar Jeruzalem en de derde week bivakkeerde je in een loofhut naast je huis.

God wilde blijkbaar niet dat Zijn kinderen slaven van hun werk werden. Hij gunde hen rust en verademing. Naast de wekelijkse vrije dag kregen ze drie maal zeven dagen vrijaf. Veelzeggende getallen zijn dat. Het gaat om meer dan een paar snipperdagen. God geeft ruimte om van het leven voor Zijn aangezicht een feest van te maken.

Het feest werd steeds gestempeld door twee dingen. Terwijl er gedankt werd voor de ingehaalde oogst, werd tegelijk het geheim van hun bestaan gevierd: de genadige bevrijding uit Egypte (Pascha), de onvergetelijke verbondsluiting bij de Sinaï (Pinksteren) en de ervaren trouw in de woestijn (Loofhuttenfeest). Prachtig hoe ziel en lichaam daarmee samenop gingen

Wij zijn geen Israël. Wel is hun God onze God. Zoals hen zo gunt Hij ook ons verademing. Daarom, als het even kan: neem het ervan! Zeker na alle extra sores van de laatste tijd. Volgens de Prediker ben je niet enkel gemaakt om te werken, maar ook om te genieten van het gegevene. Het deugt het niet als dat er structureel bij inschiet. Zonde is dat!

Gun jezelf wat God je gunt. Met alle zegen van dien!

Paul Visser,
predikant Maranathakerk
R’dam-Zuid

Is Kerstmis een feest van vreugde vanwege de geboorte van Christus en is Pasen het feest van geloof vanwege de verrijzenis van Christus, dan kan je Pinksteren misschien het feest noemen van vuur en uitbundigheid vanwege de komst van de Heilige Geest. In verschillende kerken kun je dat zien aan de vuurrode gewaden voor dit feest.

Pinksteren is de voltooiing van Christus’ menswording en zending. In Christus neemt God stapsgewijs deel aan ons bestaan en krijgen wij deel aan Gods leven. Eerst schept God de mens en blaast hem tot leven. Daarna zendt God zijn Zoon en vervolgens zendt God zijn Heilige Geest over de mensen, opdat zij Gods kinderen worden. Bij Jezus is er geen onderscheid tussen land of volk, man of vrouw, geleerd of ongeletterd, iedereen kan door het geloof in Christus, Gods Geest ontvangen en Gods kind worden.

Op Pinksteren bewegen we ons van vrees naar durf; van verdriet naar vreugde; van twijfel naar overtuiging en van onbegrip naar inzicht. De Heilige Geest overwint in ons de angst, het verdriet, de twijfel en het onbegrip. De Heilige Geest is de Trooster, de Parakleet, de Voorspreker, de Helper. De Heilige Geest leert ons bidden van binnenuit. Door de Heilige Geest leren wij Gods wil verstaan, de tekenen van de tijd interpreteren, gaan we zien waar alles zich heen begeeft en hoe we met Gods hulp de gang van de wereld ten goede kunnen keren.

Pinksteren nodigt ons uit om geestelijke mensen te zijn; de Heilige Geest schenkt ons geestelijke gaven. De eerste gave is oprechte liefde voor God en de naaste. De Geest doet ons inzien dat Jezus de Zoon van God is en dat wij door Hem kinderen van God mogen worden. De Geest doet ons ontdekken dat dit leven niet ingeperkt is tussen geboorte en dood, niet opgesloten hoeft te blijven in de materie, maar dat God Zelf ons leven nu en in de toekomst is.

Willen we de Geest de ruimte geven, dan moeten we goed kijken of er barrières in ons leven zijn, in onze cultuur, in onze tijd, in onze levensstijl. En zijn er barrières in onze Kerk? Zijn er barrières in onze gemeenschappen waardoor de Geest bij ons onvoldoende de ruimte krijgt? Die vraag is een zelfonderzoek waard. Vragen wij de Heilige Geest dat hij ons helpt alle barrières te overwinnen, dat Hij ons raakt, ons moed en vertrouwen geeft, inzicht en wijsheid, geloof en hoop, maar bovenal liefde voor God en de naaste.

Plebaan Michel Hagen

Geloof ligt op straat. Letterlijk soms! Ik reed op de Ring-Noord achter een busje van ‘Credo Bouw’. Dat vond ik een fascinerende bedrijfsnaam. Credo, Latijn voor ‘Ik geloof’, is het eerste woord van de Apostolische Geloofsbelijdenis. Die wordt dan ook vaak het ‘credo’ genoemd. ‘Ik geloof Bouw’. Zou de oprichter gelovig zijn? Of vond hij of zij het gewoon een leuk woord? Zou Credo een achternaam zijn?

In het Rotterdamse Platform Levensbeschouwelijke en Religieuze Organisatie zeggen we altijd:

  • We streven er allemaal naar om een goed mens te zijn
  • We hebben van uit onze overtuiging onze medemens lief
  • We hebben een verschillende inspiratie om zo in het leven te staan
  • Als we respect hebben voor elkaar inspiratie kunnen we de handen ineen slaan en er een mooiere stad, mooier land van maken.

Respect voor elkaars overtuiging, respect voor wie je bent als mens. Het zijn mooie drijfveren. Ik geloof in dat respect en die tolerantie naar anderen. Onze medemensen, onafhankelijk hun geloof, levensovertuiging, geaardheid, ras of gender. Belangrijke basis, inspiratie voor een verbonden samenleving.

Is er ook een grens aan tolerantie en respect? Mijn stelling is: de grens aan tolerantie en respect ligt bij het disrespect en de intolerantie van de ander! Uiteraard kan je begrip hebben voor andere standpunten, het gesprek aangaan, maar er is een grens  en die grens mag – en moet zelfs – hardop worden uitgesproken. Zonder dat uit te spreken kan de maatschappij verworden tot een maatschappij van uitsluiting en in haar ergste vorm zelfs tot een maatschappij, waarin genocide geaccepteerd wordt.

Deze maand herdachten we de Jom Hasjoa. (Deze herdenking is uitgezonden door Open Rotterdam.) Een herdenking, niet alleen aan alle slachtoffers, vermoord omdat zij Joods waren, maar ook aan hoe het heeft kunnen gebeuren. Hoe een keuze tegen de Joodse bevolking van disrespect, naar intolerantie, uitsluiting, ontmenselijking, verwijdering en systematisch vermoorden heeft kunnen leiden met hulp van (een deel van) de plaatselijke bevolking. In Nederland, in Europa, in de tijd van ons, onze ouders, grootouders, mensen zoals u en ik.

Ik zeg niet dat ieder disrespect, iedere intolerantie daartoe zal leiden. Maar daartoe kán het leiden. Als er geen grens wordt getrokken én er geen respectvolle verbinding plaatsvindt. Ook voor die verbinding zal ik mij en vele leden van het Platform blijven inzetten. Op allerlei manieren. Bijvoorbeeld met de Vredestafels in de verschillende wijken. Waar Christenen, Moslims, Hindoes, Boeddhisten, Humanisten en vele anderen elkaar ontmoeten. Ontmoetingen, waarin we elkaar in al onze verschillen als mens ontmoeten en als mens mogen leren kennen. Ruimte voor respectvolle interactie, die ook fel en helder mag zijn, maar die altijd een grens kent: de grens van intolerantie en disrespect. Laten we die verbinding opzoeken én die grens blijven uitspreken. Want alleen samen kunnen we één stad worden, zijn en blijven!

Dorine A. Cleton
voorzitter Platform Levensbeschouwelijke en religieuze organisaties Rotterdam,
column op persoonlijke titel

Wij weten niet wat er gebeurd is noch hoe het gebeurd is… maar de Opstanding van de Heer is de schepping van een nieuwe dag, de eerste van Gods nieuwe toekomst. In dat geloof en vertrouwen zijn de leerlingen opgestaan uit hun ongeloof, onmacht en verdriet en zijn ze vol vuur op weg gegaan om iedereen deelgenoot te maken van het bijzondere nieuws: de dood heeft niet het laatste woord. […]

Studentenpastoraat010 biedt pastoraat aan studenten van de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Ongeacht hun levensbeschouwelijke achtergrond zijn studenten welkom. De kern van het studentenpastoraat is om bij te dragen aan hun persoonlijke vorming, waar het gaat om hun welzijn, zingeving en geloof.

In het studentenpastoraat bedenken we steeds activiteiten die ingaan op de vragen en dilemma’s die spelen voor studenten. De corona-maatregelen hadden zoals op iedereen een grote invloed. Maar voor studenten was het vooral een probleem, omdat ze nog geen vaste kring om zich heen hebben. Ze horen zich juist los te maken van thuis en samen met leeftijdsgenoten uit te zoeken wie ze zijn en waar ze in vertrouwen.

Daarom verloren veel studenten hun motivatie in het voorjaar van 2020. Colleges vielen uit, stages gingen niet door. ‘Valt er wel werk te vinden als ik mijn diploma heb? Waar doe ik het voor?’ vroegen velen zich af. Zeker in de eerste periode was het leven van veel studenten ontregeld.

In reactie daarop ben ik een serie workshops gaan geven over hoe je kunt omgaan met onzekerheid en ontregeling. De studenten konden hun teleurstelling, boosheid en vermoeidheid benoemen en begrijpen. En ze leerden om niet vanuit hun (hoge) verwachtingen naar de huidige situatie te kijken, maar de vraag om te keren: wat vraagt deze situatie nu van mij? Wat moet ik accepteren, wat heb ik te leren? Op dit moment start er elke maand een groepje studenten die in totaal drie keer bij elkaar komen. Een van hen schreef achteraf hoe dat was:

‘Opluchting, de mogelijkheid om gewoon even je hart te luchten. Bij mensen die je niet kent, maar waar het toch zo vertrouwd kan zijn dat er een last van je schouders valt. Zelfs online! Daarnaast is het fijn om over toekomst te praten, hoe gaat het er allemaal uitzien en wat neem ik mee uit dit gesprek? Je kan vrijuit praten, en je wordt gepusht om zelf je eigen proces in gang te zetten (wat heel goed is voor je groei). Het heft in eigen handen nemen, maar met een zetje van Studentenpastoraat010. Ik heb het altijd erg fijn ervaren!’

Hoewel ik mij de start als studentenpastor in Rotterdam anders had voorgesteld is het een bijzondere periode om nu met studenten aan het werk te zijn.

Rob van Waarde | Studentenpastor te Rotterdam.

Waarom zou ik naar de kerk gaan. Zo luidde de titel van een van de verplichte leesboeken bij de praktisch-theologisch opleiding om dominee te mogen worden, in Utrecht. Een heel braaf confessioneel boek, vol met theologische gemeenplaatsen. Als je er daar een paar van onthield kreeg je op tentamen een negen.

De overigens niet eens zo brave hoogleraar die dit boek geschreven had kon niet vermoeden dat zijn vraagstelling nog eens zeer actueel zou worden. Want, inderdaad, waarom zouden we naar de kerk gaan, als er eigenlijk niet zo veel meer aan is in de kerk. Als je je van te voren moet aanmelden en er misschien deze zondag helemaal geen plek voor mij is. Als ik ook in de kerk weer eens mijn handen ritueel moet reinigen. Als ik in mijn eentje op een stoel zit in de leegte, omdat mijn lief al lang heeft afgehaakt. Als, als….

Het gaat niet goed met de kerk, dankzij corona. Het gaat niet goed met de kerkgang, er is bijna in elke kerk plaats over, terwijl de ruimte zo beperkt is gemaakt. En dan moet het nog kerst gaan worden, onze prime-time. Zitten we straks in de kerstnacht weer op de bank thuis, zoals destijds met Pasen? We  hebben het nog niet eens over activiteiten als groepen en kringen, blijft dat al zoomend, daar moet je toch niet aan denken.

Maar een ding moet je deze pandemie na geven: hij dwingt ons, of nodigt ons tenminste uit, om met elkaar te praten over deze vraag: waarom zou ik naar de kerk gaan. En dat gebeurt steeds vaker. In en rond de kerk, tijdens of na de vieringen,  of aan tafel met vrienden bij een borrel of samen eten. Onderweg bij de super als je toch nog weer eens een kerkgenoot treft en vraagt of ‘hij, zij nog gaat’. Voor je het weet storten we ons in de diepte van een gesprek over onze motieven om toch weer (eens) naar een kerk te willen. Waarom kan geloof niet zonder zingen? Wat blijft er achter wege als wij niet zelf onze mond mogen open doen. Wat we over ons geloof, over God, Jezus zingen, kunnen we toch ook gewoon zeggen, of niet.

En: waarom kunnen we niet zonder elkaar om dat geloof vol te houden, en hoe komt het dat je kerkgang zo snel versloft als je elke keer moet reserveren…. Zelfs de vraag wat God voor ons betekent, of hij nog te ervaren valt op die eenzame zondagmorgens. En welke rol Jezus speelt in ons bestaan, nu hij steeds meer van horen zeggen wordt. Veel gesprek dat we anders niet zo maar hadden gehad. Die corona brengt ons tegoed en ons tekort.

Bert Kuipers
Emeritus Laurenspastor,
Rotterdam