De kersttijd is weer voorbij. Ik had dit jaar een volle agenda, niet zo zeer met diners en borrels, dan wel met liturgische verplichtingen. Heerlijk, lekker iets te doen, museums zijn toch dicht en vergaderingen zijn er alleen maar op een scherm.
De kerkdeuren bleven op veel plekken dicht, en gingen alleen open voor wie er in de viering iets moest doen. Met nog enkele kerkgangers voor wie de kerkgang een enige uitje in het hele weekeind zou zijn.. Ik geef een overzicht van wat er in die kerken allemaal gebeurde, in elke kerk een beetje anders dan in de andere.

apparatuur

De digi-masters van al die kerken worden steeds professioneler. Sommige kerken schaften gelijk in 2020 hun hele apparatuur aan, anderen wachtten tot ergens  in de loop van ’21. In elke gemeente bleken slimme schakelaars te huizen. Soms is het een jongen van rond de 13, maar er zijn ook senioren bij van in de 80!  Zij instrueren de voorganger om zich digi-vriendelijk te presenteren: houd de camera’s in de gaten, alsof je voor de televisie mag optreden. De digitale regie vraagt ook om onderdelen goed op elkaar te laten aansluiten.

klokken

De omgeving vraagt ook wat, het dorp, de wijk, de stad. Vorig jaar legden nogal wat kerken hun eigen klokken het zwijgen op. Het zou de stad of het dorp maar op gedachten brengen toch te komen. Nu luiden die klokken, waar die er zijn, toch overal, ook voor digitale vieringen. En de buren kijken wel uit om toch nog te komen…. Dat wordt nog wat als kerken weer missionair willen zijn.

alsof het gewoon is

‘Doen we toch nog een consistoriegebed’, vraagt de ouderling. Zou het niet de moeite zijn voor zo’n klein clubje? Direct besluiten we dat we alles doen zoals altijd. Het gebed krijgt daarmee iets van een verzetsactie. We bidden tegen de klippen op. Soms doen we dat met de zangers van de cantorij, soms zijn we maar met z’n tweeën.. Ouderlingen groeien trouwens in hun rol.  Hun gebed is ontdaan van stoplappen en de hele stad wordt er bij betrokken. En na dat gebed plechtig de kerk in. Zelfs als de processie door de camera niet kan worden meegenomen, en er verder niemand is die ons ziet, doen we toch die optocht. Onze lieve Heer geniet er vast van, denken we.

zingen of niet

Het beleid ten aanzien van zingen is verschillend. In een enkele kerk wordt er helemaal niet gezongen, door niemand. Een gemeentelid en de voorganger lezen ‘omstebeurt’ de verzen van de te zingen liederen, de organist legt er een muziektapijt onder. In een andere kerk is er een cantorij. Het zijn hier acht zangers de negende zit thuis op de bank, want afspraak was acht man. In weer een andere kerk mag ik ook meezingen, maar  moet ik oppassen dat ik de anderen niet van de sokken zing. In een volgende kerk zingt alleen een zangeres, maar mag de dominee ook een enkel vers zingen. In weer een volgende kerk is er ook een zangeres, maar uit het lichte genre, dat levert een heel bijzonder timbre op. Net als vorig jaar zwijgt de gemeente overal, maar tandenknarsend, want ik hoor af en toe toch wat hummen tijdens een bekende psalm  en zeker bij het  slotlied.

kinderen

En dan de kinderen. Die zitten natuurlijk thuis, maar vermoedelijk niet op de bank voor de laptop. Niettemin ruimen we voor hen aandacht hen in. Elke dienst dus een spontaan kinderverhaal. Dat dwingt je in de rol zoals Aart Staartjes dat destijds deed. Ik zou wel eens op de bank willen zitten bij mijn eigen verhaal.

avondmaal

In de coronatijd zien veel kerken af van het avondmaal, te veel gedoe, te riskant wellicht. Een enkele kerk laat ze zich niet van de wijs brengen. De diakenen komen soms zelfs brood en wijn thuis brengen, om de eenheid te benadrukken!

De vredegroet gaat met de hand op het hart. We breken brood en presenteren de al ingeschonken wijn. En communiceren alleen met de twee ambtsdragers, hemeltje, wat zou Luther hier van gevonden hebben. De diaken, ouderling en voorganger hebben elk een eigen beker. De cantorij zingt ter begeleiding.

vlot

Dit soort diensten gaan sneller dan met publiek. Ik herinner me een de Paasnachtdienst ergens in de regio. In drie kwartier waren we klaar, terwijl er voor zo’n complexe dienst meestal wel twee uur staat. De pandemie sleept ons snel door de vieringen heen, binnen een uur sta ik bij mijn fiets of auto. Dat liturgie een vluchtig gebeuren is wisten we, maar zo vlot. Enkel de ervaring reist de dag verder met me mee.

Bert Kuipers

Ze staan in Rotterdam dicht bij elkaar: het eeuwenoude bronzen standbeeld van Desiderius Erasmus (1466? – 1536) voor de Laurenskerk en het veel jongere beeld van Hugo de Groot (1583-1645) voor het Rotterdamse stadhuis. Dat Erasmus veel voor Rotterdams naamsbekendheid betekend heeft weet iedereen. Waarom Hugo de Groot, het wonderkind van Delft, met Rotterdam verbonden is, dat is minder bekend.

Ik vond een uitnodiging bij de post: ik mocht mijn derde prik gaan halen. Toevallig was er de volgende dag een ‘prikken zonder afspraak’ op een minuutje lopen van mijn huis. Het was best druk. Ik kwam in een trage rij terecht voor een mopperende meneer: ‘Word ik gedwongen mij te laten vaccineren, kost het me ook nog eens een hele middag.’ Die hele middag leek me wat overdreven. Ik knoopte, misschien wat kritisch, het gesprek aan. ‘Niemand dwingt u toch? U staat hier toch omdat u dat zelf wilt.’ Meneer wilde helemaal niet en hij zou die prik ook nooit gehaald hebben, als hij niet voor zijn werk een paar dagen naar het buitenland moest. Dus zijn werk dwong hem. Hij vertelde er onmiddellijk bij dat hij geen anti-vaccer was. Hij trok de wetenschap niet in twijfel en geloofde best dat het vaccin tegen corona werkte. Maar hij viel niet in een risico-groep, kwam nooit in een café ofzo en hij hield ook niet van de bioscoop. Dus waarom zou hij? Ha, dit was een schot voor open doel. ‘Nou, misschien,’ begon ik ‘kunt u zich laten vaccineren om anderen te bes…’. Hij viel me in de reden. ‘Voor anderen? Voor anderen? Wanneer heeft een ander ooit iets voor mij gedaan? Nou? Nou?’

Hij draaide zich van me af en ik deed er het zwijgen toe. Ik had natuurlijk kunnen zeggen dat het iets-voor-een-ander-doen ergens moet beginnen en dat hij zelf een begin kon maken. Ik denk niet dat het indruk zou hebben gemaakt. Ik had kunnen zeggen dat ik het heel erg voor hem vond, dat niemand ooit iets voor hem had gedaan. Of dat verbaasd kunnen vragen. Ik had kunnen vertellen over mijn ervaringen, dat zoveel mensen van harte behulpzaam zijn, maar dat was misschien als zout in de wonde. Ik bleef zwijgen. Ik vond geen woorden voor deze boze man.

We werden geprikt en kwamen daarna naast elkaar op een stoel te zitten om nog een kwartier te wachten op allergische aanvallen die niet kwamen. Hij brieste nog één keer ‘Ben ik geprikt, duurt het verdorie nog een maand voordat het spul een beetje werkt.’

Het kwartier was om. Ik wilde de boze man van alles wensen: zorgzame mensen om hem heen, vertrouwen, blijdschap, plezier in het leven. Ik kwam niet verder dan ‘goedemiddag’ en deed een schietgebedje, een kyrië, en vroeg God om zich over hem te ontfermen en over mijn onvermogen om hem te bereiken.

Ik moet nog vaak denken aan die boze man.

ds Iet Buijser,
Prinsekerk

Hoe lang is het geleden dat ik op mijn zolderkamertje mijn stembandjes schor schreeuwde met het liedje van U2. Hilversum 3 bestond al wel, maar het was nog een ouwe krakende LP die als ik danste een groef oversloeg. Of twee.
Blijkbaar riep de tekst van het lied en de rauwe stem van zanger Bono veel herkenning bij mij op. Want als puber was ik boos.

Als predikant in Prinsenland, ten oosten van de A16, fiets ik soms een andere wereld binnen. Een wereld van vroeger die deel was van Kralingen. Verschillende gemeenteleden behoren tot de oud-Kralingers. Door hun verhalen, met soms een zwart-wit of vergeelde kleurenfoto erbij, waan ik me in de tijd dat de ’s Gravenweg platteland was en de Kralingseweg minder volgebouwd. De tijd dat de Ringvaartweg nog niet de uitstraling had van de goudkust. Ik zie eenvoudige woningen en boerderijen voor me. Weilanden en lange rijen kassen. Het is het Kralingen dat voor mijn gesprekspartners vertrouwd was. Hele families woonden er.

Het is herfst. Er liggen mensen op straat. Eén van hen, een man uit Oost-Europa, kwam afgelopen week naar onze straatartsen. Zijn kaak was verbrijzeld. Een groepje jongeren had hem ’s nachts in zijn gezicht geschopt, toen hij op straat lag te slapen.
De straat is een moeras. Je zakt er steeds dieper in weg. De problemen worden steeds groter. Zonder hulp kom je er niet uit.
Vorige week klopte een Pools meisje bij ons aan, na drie nachten op straat. Na een paar nachten slapen in de Pauluskerk konden we rustig met haar praten. En hulpverlening inschakelen. Inmiddels is ze met hulp teruggegaan naar Polen. Zo gaat het vaak. 
Zo’n 150 mensen slapen op straat in Rotterdam. Zij halen zichzelf niet van straat. Rotterdam heeft een Smart Shelter nodig: opvang en hulp. Beide tegelijk. Ook de Tweede Kamer ziet dat we niet langer kunnen wachten. Kort geleden spraken bijna alle alle partijen zich uit vóór opvang en hulp voor EU-arbeidsmigranten op straat, om nóg grotere persoonlijke en maatschappelijke problemen te voorkomen. 
Waar wachten we nog op?  

Ranfar Kouwijzer
Predikant-directeur Pauluskerk Rotterdam

De Abrahamitische religies Christendom, Islam en Jodendom kennen alle drie een messiaanse tijd. Een tijd zonder oorlog, armoede, spanningen, zorgen. Een tijd dat men alleen bezig is met “zijn”, niet terugkijken en niet vooruitkijken. Zo een status is wel degelijk mogelijk voor mensen. Als je zorgen, angsten, haat, woede loslaat en tobben weet te vermijden dan brengt dat dichter bij jouw gevoel. De verbinding met je zelf is makkelijker te maken en de verbinding met anderen komt ook sneller tot stand. Je voelt de richting, de weg, het pad om te volgen en vanuit het gevoel maak je keuzes. Sommigen ervaren dit op bepaalde momenten of gedurende een langere tijd. Daarom is het best reëel om te denken dat zo een tijdperk binnen bereik van alle mensen ligt, waarbij men in het “nu” leeft.

Onze mooie multiculturele stad kent inwoners met vele verschillende levensbeschouwingen.

Niet alleen de stromingen van Christenen, Moslims en Joden, maar ook onder meer Hindoes, Bahai, Boeddhisten en Humanisten. Tijdens ontmoetingen met mensen uit deze gemeenschappen besef ik steeds dat de meesten bezig zijn met een zoektocht naar “zijn”.

En dat is vervolgens niet anders waar vele (andere) niet-gelovigen ook mee bezig zijn.  Een weg ontdekken om in het “nu” (de flow, zijns toestand) te leven. Door meditatie, bezinning, er zijn boeken vol geschreven, of anderszins een spirituele weg zoeken om vrij van zorgen te zijn over de toekomst en niet met spijt naar het verleden omzien.

De smeltkroes Rotterdam; waar verschillen kunnen wegebben als gelovigen en niet gelovigen en andersgelovigen elkaar vinden. Het maakt niet uit of je de Christelijke Bijbel, Islamitische Koran of Joodse Torah als handleiding gebruikt. Of je de Baghuan, Daila Lama, de Boeddhistische leer, de Hindoeleer of het Humanisme omarmt. In mijn visie komen al deze mensen op hetzelfde punt uiteindelijk uit als zij zijn “aangekomen”: voelend in één geheel verbonden door een centrale universele kracht. De een gelooft in Jezus, de ander alleen in de Eeuwige of in een centrale kracht zonder heilig boek of gewoon het geloof dat er meer is dan wij weten. Tijdens de weg naar beter zijn, naar volledig zijn, zijn wij het vaak niet met elkaar eens. Het doet er niet toe welke weg je kiest, maar eenmaal aangekomen op dat eindpunt zijn wij bewust één. Een mooie uitdaging met een hoopvol doel binnen bereik.

Simon Cohen

Voorzitter Coalitie Rotterdammers voor Mekaar

Voorzitter landelijk Overlegorgaan Joden Christenen Moslims

Gedeeld verleden, gezamenlijke toekomst”, heet de werkgroep die jaarlijks in Rotterdam de herdenking voorbereidt van de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863. Rondom de herdenking wordt in de Hoflaankerk een viering gehouden die wordt voorbereid door mensen uit kerken met veel Surinaamse of Caribische leden en uit onze Protestantse Gemeente Kralingen. In die viering komen verschillende perspectieven bij elkaar. Meerdere Surinamers hebben in hun familielijn tot slaaf gemaakten en zijn opgegroeid met verhalen over de slavernij. Mijn familie van vaderskant komt oorspronkelijk uit Zeeland en er is zelfs een tak die Koopman heet. Als ik mee zou doen aan ‘Verborgen Verleden’, waarin men ver teruggaat in iemands familiegeschiedenis, zou het maar zo kunnen gebeuren dat er ergens een plantage-eigenaar opduikt. Maar ook zonder zo’n concrete link verbindt mijn achtergrond me eerder met de Zeeuwen en de Hollanders die vrijwillig naar de West trokken dan met de Afrikanen die daar als slaaf naartoe werden gehaald.

Beide perspectieven zijn deel van ons verleden. De slavernij (± 1637 - 1863) is opgenomen in de canon van de Nederlandse geschiedenis. Wie daar sinds juni 2020 ook in is opgenomen is Anton de Kom. Zelf zoon van een vader die nog net ten tijde van de slavernij als slaaf geboren werd, schreef hij in 1934 het boek “Wij slaven van Suriname”. Daarin beschrijft hij niet alleen hoe de slavernij tot stand kwam en in stand gehouden werd, maar legt hij ook de structuren ervan bloot die met de afschaffing niet zomaar verdwijnen. Het boek werd vorig jaar opnieuw uitgegeven, voor mij een goede reden het eindelijk eens te lezen en me al lezend te verplaatsen in het perspectief van de (voormalige) slaven. Wat mij daarbij het meest raakte was de vanzelfsprekendheid waarmee medemensen tot eigendom werden gemaakt. Met christelijke goedkeuring … Zo schrijft Johan Picardt, predikant in Coevorden, in de gouden eeuw dat “deze menschen”, de Afrikanen die hij als nakomelingen van Cham beschouwt, in vrijheid niet willen deugen en zichzelf niet kunnen regeren, en dat hun welvaart bestaat in slavernij.
De slavernij in Suriname is gruwelijk. Zo hebben eigenaren de bevoegdheid hun slaven te straffen door hun handen en knieën samen te binden en hen dan te geselen. Wil een eigenaar dat niet zelf doen, dan gebeurt dat tegen betaling op het fort in Paramaribo. Individuele pogingen van gouverneurs om de uitwassen te bestrijden stranden op de economische belangen van de plantagehouders. Tekenend is dat deze bij de afschaffing van de slavernij een financiële compensatie eisen en krijgen voor iedere vrijgelaten slaaf.

Hoe vier je de afschaffing van de slavernij als je verre voorouders daar vermoedelijk direct of indirect van geprofiteerd hebben? Recent onderzoek toont aan dat de stad Rotterdam als partner van de VOC en de WIC actief betrokken was bij het kolonialisme en de slavernij. ‘Keti Koti’ – ‘Verbreek de ketenen’, zoals het genoemd wordt in de Surinaamse taal die op de plantages ontstond, is hier echter nooit een feestdag geweest. Hebben wij wel wat te vieren? Of is dit vooral iets van Surinaamse en Caribische Nederlanders? De gesprekken in de voorbereidingsgroep én het boek van Anton de Kom maken mij ervan bewust dat dit juist wel iets is dat we sámen moeten vieren. Allereerst erkennen we daarmee dat de slavernij mensonterend is geweest, en dat de gevolgen daarvan nog doorwerken. In familieverhalen, in opgebouwde rijkdom, in machtsstructuren, in ongelijke kansen. Wie een kleur heeft staat eerder op achterstand. Daarnaast belijden we eensgezind dat ieder gelijk geschapen is, naar Gods beeld en gelijkenis. Dat we geroepen zijn elkaar in vrijheid te dienen. En ten slotte nemen we verantwoordelijkheid om onze samenleving zo op te bouwen dat ieder mens daarin tot haar of zijn recht komt.

“Ik voel me altijd thuis in Nederland, behalve met Keti Koti”, zei Jeangu Macrooy, die ons vertegenwoordigde op het songfestival. Dat heeft ermee te maken, dat 1 juli voor hem een belangrijke dag is, maar dat veel Nederlanders niet weten wat er dan gevierd wordt. Wat zou het mooi zijn als we hem en anderen zouden kunnen laten merken dat we beseffen dat de slavernij ons gedeelde verleden is, zij het vanuit verschillende perspectieven. En dat we juist daarom vieren dat het verléden is, en dat we werken aan een toekomst in diversiteit, solidariteit en vrijheid.

ds Marianne Bogaard

Anton de Kom, “Wij slaven van Suriname”,
ISBN 9789045041094

Vakantie! Vaak denken we, dat wij die uitgevonden hebben. Logisch, want een eeuw geleden was er van vakantie amper sprake. Een enkele welgestelde kon het zich veroorloven erop uit te gaan, maar voor de gewone man en vrouw was dat niet weggelegd. Goed dat dit nu anders is.

Toch is vakantie geen uitvinding van ons. Lang voordat wij het bedachten, gaf God Israël maar liefst drie weken per jaar vrijaf. In het voorjaar, met Pesach. In de zomer, met Pinksteren. En in de herfst, bij het Loofhuttenfeest. Zo was bepaald in de Thora (Deut: 16:16: Drie keer per jaar moet u verschijnen voor het aangezicht van de HEER uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen. De eerste twee weken ging je met zijn allen naar Jeruzalem en de derde week bivakkeerde je in een loofhut naast je huis.

God wilde blijkbaar niet dat Zijn kinderen slaven van hun werk werden. Hij gunde hen rust en verademing. Naast de wekelijkse vrije dag kregen ze drie maal zeven dagen vrijaf. Veelzeggende getallen zijn dat. Het gaat om meer dan een paar snipperdagen. God geeft ruimte om van het leven voor Zijn aangezicht een feest van te maken.

Het feest werd steeds gestempeld door twee dingen. Terwijl er gedankt werd voor de ingehaalde oogst, werd tegelijk het geheim van hun bestaan gevierd: de genadige bevrijding uit Egypte (Pascha), de onvergetelijke verbondsluiting bij de Sinaï (Pinksteren) en de ervaren trouw in de woestijn (Loofhuttenfeest). Prachtig hoe ziel en lichaam daarmee samenop gingen

Wij zijn geen Israël. Wel is hun God onze God. Zoals hen zo gunt Hij ook ons verademing. Daarom, als het even kan: neem het ervan! Zeker na alle extra sores van de laatste tijd. Volgens de Prediker ben je niet enkel gemaakt om te werken, maar ook om te genieten van het gegevene. Het deugt het niet als dat er structureel bij inschiet. Zonde is dat!

Gun jezelf wat God je gunt. Met alle zegen van dien!

Paul Visser,
predikant Maranathakerk
R’dam-Zuid

Is Kerstmis een feest van vreugde vanwege de geboorte van Christus en is Pasen het feest van geloof vanwege de verrijzenis van Christus, dan kan je Pinksteren misschien het feest noemen van vuur en uitbundigheid vanwege de komst van de Heilige Geest. In verschillende kerken kun je dat zien aan de vuurrode gewaden voor dit feest.

Pinksteren is de voltooiing van Christus’ menswording en zending. In Christus neemt God stapsgewijs deel aan ons bestaan en krijgen wij deel aan Gods leven. Eerst schept God de mens en blaast hem tot leven. Daarna zendt God zijn Zoon en vervolgens zendt God zijn Heilige Geest over de mensen, opdat zij Gods kinderen worden. Bij Jezus is er geen onderscheid tussen land of volk, man of vrouw, geleerd of ongeletterd, iedereen kan door het geloof in Christus, Gods Geest ontvangen en Gods kind worden.

Op Pinksteren bewegen we ons van vrees naar durf; van verdriet naar vreugde; van twijfel naar overtuiging en van onbegrip naar inzicht. De Heilige Geest overwint in ons de angst, het verdriet, de twijfel en het onbegrip. De Heilige Geest is de Trooster, de Parakleet, de Voorspreker, de Helper. De Heilige Geest leert ons bidden van binnenuit. Door de Heilige Geest leren wij Gods wil verstaan, de tekenen van de tijd interpreteren, gaan we zien waar alles zich heen begeeft en hoe we met Gods hulp de gang van de wereld ten goede kunnen keren.

Pinksteren nodigt ons uit om geestelijke mensen te zijn; de Heilige Geest schenkt ons geestelijke gaven. De eerste gave is oprechte liefde voor God en de naaste. De Geest doet ons inzien dat Jezus de Zoon van God is en dat wij door Hem kinderen van God mogen worden. De Geest doet ons ontdekken dat dit leven niet ingeperkt is tussen geboorte en dood, niet opgesloten hoeft te blijven in de materie, maar dat God Zelf ons leven nu en in de toekomst is.

Willen we de Geest de ruimte geven, dan moeten we goed kijken of er barrières in ons leven zijn, in onze cultuur, in onze tijd, in onze levensstijl. En zijn er barrières in onze Kerk? Zijn er barrières in onze gemeenschappen waardoor de Geest bij ons onvoldoende de ruimte krijgt? Die vraag is een zelfonderzoek waard. Vragen wij de Heilige Geest dat hij ons helpt alle barrières te overwinnen, dat Hij ons raakt, ons moed en vertrouwen geeft, inzicht en wijsheid, geloof en hoop, maar bovenal liefde voor God en de naaste.

Plebaan Michel Hagen